Genomineerd
Stalker   van Joost Decorte
Poëziecentrum

Een volstrekt eigengereide, mystieke bundel die in de wereld van nu nieuwe mogelijkheden opent voor uitbundige lyriek. Hier durft een dichter een klassiek aandoende taal te bezigen waarvan eigenlijk al tijden vaststond dat ze dood en begraven was. Tegelijk staat Stalker bol van de neologismen, en dringt het lyrische ik steeds verder door in de taal, die het tezelfdertijd steeds meer lijkt te ontglippen. Een nieuw soort ‘poëzie van het echèc’ lijkt het, een die met de taal niet omzichtig omspringt maar ten volle haar lyrische, zingende mogelijkheden omarmt. Taal die vlees wil worden, die schijnbaar dood materiaal aan elkaar laat te klitten en nieuwe organismes vormt. Een moedige bundel, waarin Andrej Tarkovsky’s gelijknamige filmklassieker nooit ver weg is, en waarin de dichter het sublieme benadert als een prooi, om uiteindelijk zelf prooi te worden.

Uit het juryverslag bij de nominatie


Nervatuur van de afstand – 1


In de blinde rug van het huis bloeit de scheerling drie duim diep,
In de halfschaduw, gewrongen tussen de kieren van het altijd natte dwarshout.
Mijn slaap ruikt naar anijs en de schrille jacht van de muis. ’s Nachts
Graaf ik diep tot de wortel, versnijd de stengel. –

Lief, ik heb de hand in wat niet helder is, en in dit
Vroege veld van mijn gemis, beheert het koude kind zijn zonde.
Ik breng ter sprake wat ik kreeg, stilzwijgend en met verlies
Verkocht aan de eerstbiedende. De evenheid zover je ziet
Is onmogelijk nog te belopen

Zodat de honger woedt, lege landen maakt in elk tastbaar teken.

In welke zin
Verschilt deze wijdte van de barst in het ei dat ik vond
En zocht uit te broeden in de warmte van mijn hand,
Van de dag waarin de gouden uren kraken en nooit verzegeld wordt
Het achterstallig leed van de liefde, –
Van wat ik weet van mijn begin?
Wie de schuld mengt met de letter mag hopen
Op een weerzin,
Op een lied in alle delen giftig, maar een lied niettemin.

In de lege kamer stampt de mythe, brengt in mindering
De mand met hout, het vuur, het brood op tafel
En het landschap dat aangaat en heel waarschijnlijk te zien geeft
De vlekkeloze terugkeer van vos en wezel.

Dit gesprek begint waar ik uiteenlig, mijn beslijkte hand verman verzamel
En richt
Op het volharden van de horizon.

© Joost Decorte
Stalker, Poëziecentrum, Gent 2018

De titel van de debuutbundel van Joost Decorte roept meteen de gelijknamige klassieke film van Andrei Tarkovski in gedachten. Daarin is de stalker iemand die mensen door een verboden zone gidst, op weg naar een kamer waar iemands ultieme wens zal worden vervuld. Als we de ik in Decorte’s bundel als stalker zien dan valt niet duidelijk vast te stellen waar hij naar op weg is. Naar een beslissend woord, een ander mens, een ding, een antwoord, een herinnering, naar God misschien?

Vele gedichten in Stalker getuigen van een haast obsessieve drang om de essentie van een landschap, een situatie, een relatie tussen mensen te ontrafelen. De zinnen waaruit Decorte zijn gedichten opbouwt zijn krachtig, verdicht en beschouwend tegelijk. Vaak wordt er gerefereerd aan het fysieke, van het lichaam, van het landschap en zowel lichaam als landschap verwijzen naar elkaar. De poëzie van Decorte is zich zeer bewust van de taal, van de constructie van betekenis en van de mate waarin taal de werkelijkheid mogelijk maakt. De dichter laat in zijn beeldende en nu en dan ook aforistische zinnen zien hoe we dankzij de taal alles wat ons omringt kunnen benaderen en trachten te bezweren. Stalker is een jacht, een pelgrimstocht en, om een zin uit Stalker te parafraseren, een praten in onbedekte termen. Meeslepend en van een grote poëtische kracht.

Jan Baeke