Genomineerd
Het woedeboek   van Roelof ten Napel
Hollands Diep

Het woedeboek is de weerslag van een geloofsval, zonder alle clichés die de Nederlandse literatuur op dat vlak zo rijk is. Er wordt niets afgelegd, niets verlaten, maar de dichter worstelt met de verscheurdheid tussen twee dingen die mens ten diepste definiëren: zijn traditie en het verlangen dat die traditie verbiedt en te schande maakt. Een zeer persoonlijk portret van de woede die een jonge homoseksueel in een streng Christelijke omgeving verscheurt: woede jegens de traditie, jegens de omgeving die hem omwille van die traditie loochent, en uiteindelijk ook woede jegens zichzelf. Met uiterste precisie, én met speels en lyrisch taalgebruik, legt Ten Napel de diepe en zelfdestructieve eenzaamheid bloot die met deze positie gepaard gaat. De afdeling ‘Jongen’ leest als een theologie van de liefde.

Uit het juryverslag bij de nominatie



te ontwaken met een lichaam in je armen,
met jezelf krijg je ook hem weer terug, zonder
los te laten —

wat betekent het, om ook als jij jezelf verlaat,
en hij zichzelf verlaat, bij elkaar te blijven?

jongen bij jongen, een hand op een borst, hoofd
op een arm —

het was alsof de kamer eerder sliep, al het licht
kwam al van buiten, ramen open, losse woorden —

daar lag een jongen, niet bang om in je bijzijn
te verdwijnen —

slaap je al?

wie vroeg je dat?
er was toen niemand anders hier

© Roelof ten Napel
Het woedeboek , Hollands Diep, Amsterdam 2018

Roelof ten Napel (1993) debuteerde in 2014 met de bundel Constellaties, die werd genomineerd voor de J.M.A. Biesheuvelprijs. Een jaar later ontving hij een C.C.S. Crone-stipendium van de Gemeente Utrecht. Na de publicatie van Ten Napels tweede roman Het leven zelf en van gedichten, verhalen en essays in verschillende tijdschriften als Het Liegend Konijn, Revisor en Tirade verscheen in 2018 met Het woedeboek zijn poëziedebuut.

De titel Het woedeboek doet wellicht een boze, explosieve bundel vermoeden, maar de gedichten van Ten Napel zijn juist zeer secuur en de bundel gestructureerd en ordelijk. De ‘woede’ bevindt zich niet aan de oppervlakte, maar dieper in de tekst en in de beklemmende sfeer die de gedichten oproepen. Zoals Ten Napel in het openingsgedicht ‘vuur’ schrijft: ‘een woede als een oud motorblok / ontleden, met je handen verspreiden over een kleed / op tafel, en opeens alle onderdelen / zien liggen, een woede zien liggen / zonder dat hij nog bevestigd is –‘.

Er is sprake van een breuk met tradities en persoonlijke geschiedenis (‘langzaam breekt je / ruggengraat, je geschiedenis / een unheimische knik –‘, het ik-figuur weekt zich los van het milieu waarin hij is opgegroeid, van familie en gebruiken. Een belangrijke rol is hierin weggelegd voor het geloof. Het breken met tradities betekent namelijk ook het breken met geloof (‘het gezicht van god / trekt aan me voorbij, ik zie alleen zijn rug / ik zie hem alleen maar verkleinen.’ In veel van de gedichten zijn Bijbelcitaten te herkennen en in de kern van de bundel staat een reeks gedichten die alle de titel ‘psalm’ dragen. In deze gedichten lijkt vervreemding met de plek waar de ‘ik’ is opgegroeid steeds groter te worden (‘beneden stoot ik een stoel / haast achterover. ik groeide hier / op, nu sta ik er als tegen een deurpost’).

De dichter toont zich kwetsbaar. Ook in de laatste sectie met de titel ‘jongen’, waarin de dichter schrijft over een jongen met wie hij samen is en met wie hij niet meer verder wil, met wie hij breekt: ‘hij zal je vragen om een laatste kus / nadat hij je al helpt te zeggen / dat je niet meer van hem houdt’.

Feline Streekstra